Menu:

Dit is een ingekorte versie van mijn boek “ De laatste jaren en weken van het koloniaal tijdperk in Beni en Goma (Noord-Kivu) ”.

In dit boek staan gedetailleerde bronvermeldingen voor al wat daar en hier is geschreven. Overigens is zowel het boek als deze beknopte versie een semi-autobiografisch werk, wat een naakte opsomming van feiten leven inblaast.

Zakelijke gegevens geplaatst in de context van het actieve beroepsleven van een koloniaal ambtenaar in een gezags- en bestuursfunctie, geven inderdaad een levendig beeld van een voorbij gewaande samenleving zoals die toen en daar echt nog bestond.

 

Wie het heeft over Zwart Afrika en meer bepaald over Belgisch Kongo moet steeds voor ogen houden dat de Westerse levensvisie en de bantoefilosofie totaal uiteenlopende werelden zijn. In het televisieprogramma Het Braambos uitgezonden in september 1999 door de Nederlandse televisie, illustreerde de Leuvense professor dr. hist. Zana Etambala dit gegeven met volgende typerende bewoordingen:


" Wanneer een Afrikaan het gedonder van een waterval ondergaat, denkt hij eerst en vooral hoe mooi Gods schepping wel is, terwijl een Westerling zich bij hetzelfde gedonder afvraagt hoe hij er zo goedkoop mogelijk elektriciteit uit kan halen ".

Afb.1. De kleine waterval “Mont Hoyo” even benoorden het gewest Beni. Op deze foto daterend van 1959, de auteur dezes met zijn echtgenote.


                                                             ********

Mijn naam is Marc van Trimpont en ik woon in Geraardsbergen (provincie Oost-Vlaanderen). Ik heb de laatste vier jaar van het Belgisch koloniaal regime actief beleefd in het gewest Beni respectievelijk Goma, gelegen in Noord-Kivu. Als piepjong territorial kreeg ik er posten vol verantwoordelijkheid.

Ik vertrok op 23 april 1956 als 22-jarige vrijgezel naar Belgisch Kongo. De afvaart vanuit de haven van Antwerpen ging met de Copacabana, een cargo van het gemengde type die accomm odatie bood voor een tachtigtal passagiers. In de monding van de Kongostroom ligt het stadje Boma. Ik was er gaarne heen gereisd om het graf op te gaan zoeken van mijn grootoom, Jules van Trimpont die er in 1903 is gestorven na amper 27 maanden verblijf aldaar, maar mijn wensdroom was wegens tijdgebrek niet realiseerbaar.
 


Afb.2. Missionaris Jules van Trimpont in de omgeving van zijn missiepost in Mayumbe (Beneden-Kongo) omstreeks 1902.

 

Van Matadi ging het met de fameuze train blanc naar Leopoldstad (Kinshasa), een "grootstad", gemeten naar de Kongolese maatstaven van toen. Alleszins in het blanke stadsdeel was alle comfort aanwezig. Later zal ik Leopoldstad echter betitelen als een Eurafrikaanse stad, waarmee ik wou laten uitschijnen dat het blanke stadsdeel voor mij niet echt Kongo was maar eerder een stuk West-Europa onder de Kongolese zon, althans voor de zaken die te maken hebben met de materiële en sociale levensomstandigheden. De alerte waarnemer heeft na die paar zinnen al begrepen dat er in Belgisch Kongo, net als overal in het toenmalige Zwart-Afrika, feitelijke rassenscheiding was. Vandaag zou dit verschijnsel door een oppervlakkig waarnemer nogal gemakkelijk apartheid worden genoemd. Dit zou niet correct zijn omdat het in Belgisch Kongo eigenlijk om een sociaal gescheiden samenleving ging. Ter illustratie en ten bewijze hiervan het gegeven dat de twee universiteiten die Kongo rijk was, open stonden voor iedereen ongeacht huidskleur of ras wat niet het geval was in het apartheidssysteem. Discriminatie blank/zwart maakte echter wel deel uit van de realiteit: de blanke bevond zich steeds in een superieure positie zelfs ongewild en sommigen hebben er ook misbruik van gemaakt. Bovendien genoten de zwarten niet de bewegingsvrijheid die de blanken wel hadden; concreet betekende dit dat een zwarte een soort pasje nodig had om van het ene gewest naar het andere te gaan. Deze maatregel, vooral bedoeld om de ordehandhaving gemakkelijker te maken, de versted elijking af te remmen en de criminaliteit onder controle te houden, lag begrijpelijk zwaar op de maag. Met andere woorden de nationalistische premier Lumumba sloeg de bal niet mis toen hij, op de plechtigheid van de onafhankelijkheidsdag (30 juni 1960), voor de onthutste Koning Boudewijn uitflapte dat er andere wetten golden al naargelang men te doen had met blanken of met zwarten. Ja, dit is de zuivere waarheid. Maar dit was ook zo in Europa ten tijde van het ancien régime, ook toen waren bij ons de wetten verschillend naargelang de positie die men bekleedde op de sociale ladder... en dit vermeld ik niet om een en ander te vergoelijken maar gewoon om aan te tonen dat het hier niet gaat om een exclusief kenmerk van de kolonisatie maar wel om een fenomeen eigen aan een bepaalde maatschappijvisie.
 


Afb.3. Administratieve kaart van Belgisch Kongo in de periode 1956-1960.


« La Territoriale”, de “Boela Matari” bij uitstek

Daags na mijn aankomst in Kinshasa vertrok ik samen met een collega per DC4-vliegtuig naar Bukavu in Kivu. De provincie Kivu was bijna zo groot als Italië en was opgedeeld in drie districten: Zuid- en Noord-Kivu en Maniëma (Afb.4). Deze regio maakt deel uit van het uitgestrekte Swahili sprekend gedeelte van Afrika. Maar ik kende geen woord Swahili... En toch was een degelijke kennis van de gangbare bantoetaal determinerend voor je slaagkansen in de Gewestdienst, de dienst waarvoor ik aangeworven was.

De gewestdienst, meestal "la Territoriale" of "service territorial" genoemd was een mannenwereld. Dit in meerdere opzichten militaristisch aandoend keurkorps van enkele honderden ambtenaren vormde de ruggengraat van het Belgische koloniaal regime: de “ Territorial ”, d.i. een lid van de gewestdienst, was DE Boela Matari (rotsenbreker) bij uitstek. Deze dienst had, alleszins in de landelijke gebieden, de macht en de gezagsuitoefening in handen. Maar vooral na de tweede wereldoorlog en meer bepaald de laatste jaren vóór de onafhankelijkheid, dit is de periode die ikzelf heb meegemaakt, werden door de gewestdienst ook meer en meer sociale klemtonen gelegd en is er op dit vlak belangrijk werk geleverd.
De gewestbeheerder (doorgaans chef de territoire genoemd) en mutatis mutandis diegenen van zijn medewerkers die beheersverantwoordelijkheid hadden over een regio ( chefs de régio n en chefs de poste ), waren, binnen het kader van de Wet vanzelfsprekend, de onbetwiste heer en meester in hun gebied. Hun machtspositie roept duidelijk de vergelijking op met deze van de baljuws en meiers in ons land ten tijde van het ancien régime. Een baljuw had een gezagsfunctie, hij was de vertegenwoordiger van de vorst en stond in voor orde en veiligheid. Een meier had een bestuursfunctie. Hij was als het ware de “gerant” van de streek, het dorp, enz. Hij riep de lokale rechtbank samen, hij stond in voor de inning van de belastingen, voor het onderhoud van wegen en grachten, voor de armenzorg, enz. Welnu, dit allemaal behoorde evenzeer tot de functie van een chef de territoire en een chef de région in Belgisch Kongo. Zij waren dus de duivel-doet-al; alleen gezondheidszorg, onderwijs, leger, een deel van de rechtspraak, landbouw en uiteraard de godsdienstverkondiging behoorden niet tot hun bevoegdheid. De voornaamste taak van de gewestdienst bestond erin rust en orde te doen heersen . Elke " Territorial " in de landelijke gebieden was officier van gerechtelijke politie met algemene bevoegdheid. De chef de territoire of gewestbeheerder was ambtshalve voorzitter van het " Tribunal de Territoire " waar een zwarte in beroep kon gaan tegen een vonnis van een gewoonterechtelijke inlandse rechtbank; alle overige rechters in deze rechtbank waren zwarten. Hij was tevens titelvoerend rechter van de politierechtbank van zijn gewest en sommigen van zijn medewerkers werden aangesteld tot plaatsvervangend rechter. De Territorial ( chef de région ) had controle over de inlandse rechtbanken van zijn regio en kon druk uitoefenen om via het Tribunal de Territoire een mogelijke vernietiging of herziening van een gewoonterechtelijk vonnis te bewerkstelligen.
Zoals de lezer al zal begrepen hebben, was de tweede voorname opdracht het contact met de zwarte bevolking waarbij ook de inning van de belastingen niet zonder belang was. Een Territorial die verantwoordelijk was voor een regio was dan ook verplichtend drie weken per maand “onder weg en op stap” in zijn gebied.
Een derde hoofdtaak bestond in de uitbouw en het in stand houden van de infrastructuur (wegen, bruggen, staatsgebouwen, enz.).

De Territorial was 24 uur op 24 beschikbaar. Maar hoe diende, naar mijn mening, het profiel van een territorial in de landelijke gebieden er idealiter uit te zien? Een bekwaam chef de région was voor en boven alles de inlandse taal machtig: dit werd door de zwarten terecht aangevoeld als een uiting van elementair respect tegenover hen, maar het was ook een onmisbaar werkinstrument. De territorial was niet alleen een gewiekst onderhandelaar maar, als puntje bij paaltje kwam, ook een man met haar op de tanden, een man met zin voor verantwoordelijkheid die snelle en zakelijke (= niet gevoelsgeladen) beslissingen nam en die van aanpakken wist. Hij was een detective met doorzicht en, indien hij politierechter was, een evenwichtig en rechtschapen rechtsambtenaar. Hij was een doorzetter en tevens iemand met initiatief die het werk niet schuwde en die de problemen niet uit de weg ging maar ze integendeel frontaal aanpakte en... ook zelf oploste. Kortom, hij was niet zozeer een theoreticus maar wel een man van de daad! Relativeringsvermogen was hierbij een grote troef. En ten slotte was hij iemand die oprecht begaan was met het welzijn van de zwarte bevolking die hem was toevertrouwd en zich daar daadwerkelijk en met grenzeloze ijver ook voor inzette, met andere woorden, hij was een beetje als een " baba " dit is een "pater familias", en hij voelde zich bij voorkeur ook een beetje idealist. En indien hij ten slotte nog een vleugje charisma had, dan liep alles gesmeerd!… Klinkt dit alles niet paternalistisch? Ja zeker, maar dat wàs het ook (met alle voor- en nadelen van dien). Trouwens zo voelden ook de zwarten het aan, en dat hadden ze graag want het gaf ze een gevoel van veiligheid, zekerheid en geborgenheid. De Territorial moest vanzelfsprekend in goede gezondheid verkeren wou hij deze al met al zware taak ook lichamelijk aankunnen...

Ik werd aangeduid voor het district Noord-Kivu dat naar mijn schatting drie misschien vier keer zo groot als België moet zijn geweest. Een klein vliegtuig dat ruimte bood aan een tiental passagiers vloog me naar Goma, de hoofdplaats van het district. Ik werd er ontvangen door de heer Tilmany, de districtscommissaris of de grote baas die me aanduidde voor het noordelijk gelegen gewest Beni. Ik had de rang van gewestbeambte en stond dus helemaal onderaan de hiërarchische ladder van de blanke koloniale ambtenarij.


In het gewest Beni

Een zwarte chauffeur bracht me met een Dodge-personenwagen van Goma over Lubero e n Butembo naar Beni waar ik arriveerde in de namiddag van 17 mei. Ik bood me dadelijk aan op het " bureau de Territoire " waar ik werd ontvangen door mijn baas, gewestbeheerder Maurits
 


Afb.4. Administratieve kaart van Kivu anno 1956-1960.


vande Weghe, een dertigjarige militaristisch ogende Antwerpenaar die de koloniale hogeschool doorlopen had. De zwarten noemden hem “ bwana mukaba ” (mijnheer broekriem) omdat hij steeds een brede broekriem droeg. Na me te hebben voorgesteld aan zijn directe adjunct (dus de nr.2 van het gewest), jonkheer André de Maere d'Aertrycke, een jonge enthousiaste doctor juris met de rang van eerstaanwezend assistent gewestbeheerder, en aan andere aanwezige collega's bracht hij me naar mijn woning. Het was een ruim witgekalkt alleenstaand villa-achtig landhuis met rondom een open terras dat " baraza " (overgenomen uit het Swahili) werd genoemd, en met een ruim graspark dat door bloeiende heesters was omzoomd. De woonst was bemeubeld maar de meubels zoals bed en zetels bestonden enkel uit het houten geraamte. In afwachting van mijn installatie diende ik maar een paar dagen op hotel te gaan.

Afb.5. Het “Bureau de Territoire” van Beni anno 1955, het bestuurscentrum van het gewest.

Het plaatsje Beni ligt zo goed als op de evenaar en op 1175 meter boven de zeespiegel. De temperatuur is er zomerswarm met koele nachten, een uitstekend klimaat. De blanke nederzetting was ingeplant langs weerszijden van de hoofdweg (de aardeweg Goma-Irumu) die in het centrum breder was dan erbuiten en die langs elke kant met een rij prachtige vijftien à twintig meter hoge palmbomen was afgezoomd. De "landhuizen" van het handvol blanke staatsambtenaren bevonden zich zowat twintig à vijftig meter achter deze rij palmbomen, evenals het " bureau de Territoire " (Afb.5) en het postgebouwtje. Het waren allemaal gebouwen zonder verdieping. Deze landhuizen, het bureau de Territoire en het gevangenisgebouw waren het oudst. Beni werd pas omstreeks 1920 een blanke nederzetting . In 1959 woonden er in Beni en onmiddellijke omgeving een veertigtal blanken, voornamelijk Grieken en Cyprioten die van handel en transport leefden. Het zwarte ”stadsdeel” telde zowat 1500 inwoners. Er was geen modern comfort in Beni: geen stromend water, noch elektriciteit (de meeste blanken beschikten over een eigen stroomaggregaat), geen gas (pas omstreeks 1959 was er flessengas), geen telefoon, bakker, slager, bankkantoor, geen enz. Maar wat was er dan wèl? Er waren drie of vier hotelletjes/restaurants, één kruidenierszaak waar men vele en uiteenlopende zaken aantrof, een soort mini grootwarenhuis dus. Er waren twee kleine garagebedrijven; de benzine werd er toen nog aangevoerd in 200-litervaten. De gewestdienst beschikte over een radioverbinding onder meer met Goma. Oh, ik vergat bijna nog te zeggen dat er een hospitaaltje was, toegankelijk zowel voor blank als voor zwart. Nu ging men daar, in tegenstelling tot in België, niet voor een bagatel naar de arts, meer bepaald wat de zwarten aangaat want deze mensen zijn veel beter bestand tegen ziekten dan wij hier; trouwens, voor normale “ziekten” zoals een bevalling, trokken ze zelden naar het ziekenhuis. Bovendien gingen ze meestal eerst te rade bij hun eigen medicijnmannen... Er was echter geen sprake van een of ander ziekentransport zoals hier, ik denk nergens in het binnenland. Normaal gezien zorgde iedereen voor eigen ziekenvervoer en wie er niet over beschikte (wat het geval was voor de meeste zwarten) deed een beroep op de welwillendheid van anderen (meestal blanken vermits deze doorgaans wel over een wagen beschikten). De (staats)geneesheer van Beni speelde zowel ook voor apotheker als voor dierenarts: je kon gerust op hem een beroep doen om je zieke hond te behandelen, er was immers geen dierenarts uren in het rond. Op gebied van ontspanning was er een voetbalveld en twee tennisvelden. Verder werd door een van de hotelhouders iedere maand een filmavond georganiseerd.
Het gewest Beni was, voor zover ik me herinner, niet heel veel kleiner dan België maar telde, naar mijn schatting, met moeite tweehonderdduizend inwoners. Het was onder veel opzichten een bijzonder interessant gewest. Het bestond uit beboste bergstreken op ca. 2000 meter, uit savanne op ca. 1200 meter die geleidelijk overging in het woud van Ituri, uit savanne afwisselend met bos op ca. 700 meter en de streek van het Ruwenzori-gebergte dat 5119 meter boven de zeespiegel rijst en de grens vormt met Oeganda. Een vrij groot stuk van het gewest was domein van het Nationaal Albertpark (nu Virungapark) en was derhalve onbewoond. Economisch was Beni niet onbelangrijk. Naast goudmijnexploitatie was er een groot aantal planters die uiteenlopende teelten verbouwden: er was veeteelt in het hoogland, er waren koffieplantages van arabica-koffie in de hoger- en robusta-koffie in de lagergelegen gebieden waar eveneens papaya en in mindere mate rijst en katoen werden verbouwd, ook door de zwarten maar dan meestal in het kader van de opgelegde veldjes. Het dierenrijk was alomtegenwoordig zelfs buiten het Albertpark....

Het lot van het gewest Beni lag in de handen van een tiental blanke ambtenaren: zes " territorialen ", één geneesheer, één " agent sanitaire " die op het vlak van gezondheidszorg als de rechterhand van de staatsgeneesheer kan worden gezien, en twee landbouwkundigen. Van deze ambtenaren woonden er zes of zeven in Beni zelf. Het gewest telde, behalve Beni, nog twee bezettingsposten ( poste d'occupation ): Vuhovi en Mutwanga, met telkens een regio van zowat een tot twee Belgische provincies groot. Nu was er een herverdeling gepland waarbij de oprichting was voorzien van een nieuwe post in Mbau, een godvergeten plekje op zowat 25 kilometer benoorden Beni. Als verantwoordelijke had men telkens een " chef de poste ” of “ chef de région ”. Om de ordehandhaving desnoods kracht bij te zetten was er in Beni een sectie van twaalf man van de Force Publique . Deze sectie verbleef in het (mini)-" camp militaire " gelegen rechtover de gevangenis, en deze militairen waren afkomstig uit een andere provincie; zij spraken zelfs geen Swahili maar Lingala, dit is de legertaal. Om het beeld over het gewest af te ronden moet nog worden gezegd dat Beni de zetel was (is?) van een bisdom.

Voor mij was 1956 vanzelfsprekend het jaar van de kennismaking waarbij ik me onder meer het aanleren van de taal, het Kingwana, dit is een variante van het Swahili, tot eerste doel had gesteld. De eerste drie maanden liep ik veel mede met de adjunct-gewestbeheerder André de Maere d'Aertrycke, een competent man en een leermeester die me heeft laten profiteren van zijn kennis. In de maand september werd ik bij wijze van vuurproef belast met een in tijd beperkte, speciale en wel omschreven opdracht in de kleine hoofdij ( chefferie ) van de Watalinga-stam, met hoofdplaats Kamango en gelegen aan de voet van de Ruwenzori: vooreerst een algemene operatie hygiëne in de dorpen, vervolgens een controle op de volkstelling (5500 inwoners) en last but not least (en tussendoor) de realisatie van een project dat de bouw inhield van een klein drinkwater-reservoir in drie afgelegen dorpen, dit met subsidies van het Fonds du Bien-Etre Indigène (FBI) . Het kwam er op aan een waterbron op te vangen ( captage ), naar een te bouwen filterkamer te leiden en het gefilterde water op te slaan in een te bouwen (waterdicht!) reservoir, dit alles in baksteen en te realiseren met ambachtelijke middelen en met primitieve methodes. Alleen bakstenen waren in de omgeving verkrijgbaar, namelijk bij de enige blanke planter (en behalve de missiepater de enige blanke) in de streek. Maar cement moest door dragers worden "aangevoerd" over een afstand van ongeveer drie uren gaans vermits de streek nog niet per vrachtwagen bereikbaar was. Deze opdracht is een zeer lastig karwei geweest en staat me nog klaar voor de geest als was het van gisteren: zelf technisch niet onderlegd, ongeschoolde arbeidskrachten, primitieve werkingsmiddelen, communicatieproblemen, primaire levensomstandigheden, en eenzaam toch zo eenzaam. Maar einde goed alles goed! Na deze geslaagde opdracht werd ik voor twee maanden " comptable de Territoire " (wat een saaie boel!) en verantwoordelijke voor de staatsgevangenis van Beni.
De supervisie over de gevangenis was een ware lijdensweg en een echte uitdaging om te voorkomen dat de bewakers, soldaten van de Force Publique bijgestaan door politiemannen, toch niet teveel misbruik maakten van hun machtspositie. Elke ochtend, na de groet aan de Belgische vlag, trok ik om 7 uur naar de gevangenis, aanhoorde het verslag van de korporaal met dienst, en legde soms een straf op. De straffen voor de gevangenen bestonden doorgaans uit de lastigste karweien zoals bij voorbeeld water dragen. De gevangenen werkten extra muros en onder bewaking: ze deden wegreparaties in de post, brachten water aan voor de landhuizen van de blanke staatsambtenaren, hielden de openbare grasperkjes schoon, snoeiden de palmbomen langs de openbare weg, enz. De vrouwelijke gevangenen zorgden voor de gevangeniskeuken. Die gevangenis, opgetrokken in baksteen, zou ik het best kunnen omschrijven als een binnenplein van naar schatting, en indien ik me goed herinner, ongeveer 20 bij 15 meter omwald door de gevangeniscellen of beter gezeg d slaapcellen die elke dag werden ontsmet met creoline onder meer om de kakkerlakken te verdelgen. Het binnenplein was toegankelijk zowel voor mannen als voor vrouwen. De mannen vormden de grote meerder heid, en men kan zich indenken dat de seksuele drang er soms voor hoogspanning zorgde in die mate zelfs dat sommige mannelijke gevangenen het vaak moeilijk hadden hun driften onder controle te houden met de gevolgen die men zich kan indenken... Alerte lezers zullen zich afvragen of er toen nog lijfstraffen werden toegediend. Op deze vraag dient met “ja maar sporadisch en beperkt tot maximum vier zweepslagen” te worden geantwoord. Ik herinner me een paar gevallen die te maken hadden met aanranding van de eerbaarheid waarvoor de schuldige dan twee zweepslagen op het achterwerk toegediend kreeg. De lijfstraffen werden definitief afgeschaft in 1958 of 1959.

Afb.6. Fragmentarische “wegenkaart” van Noord-Kivu. In het noordelijk gelegen gewest Beni staan duidelijk gesitueerd het Ruwenzori-gebergte, de rivieren Semliki en Apya, de plaatsjes Eringete, Mbau, Kanyama, Kamango, Kinombe, Lubena, welke allemaal in de tekst worden vernoemd.

Begin 1957 was het zover: de organisatie van het gewest Beni werd anders bekeken. Voortaan droeg de chef de poste van Beni geen verantwoordelijkheid meer over een regio maar alleen over Beni zelf. Ikzelf werd aangeduid als chef de région in Mbau en kreeg de opdracht er de nieuwe post te stich ten met onder meer de bouw van een administratief centrum. Ik kreeg meer bepaald de bestuursverantwoordelijkheid over de regio die tot nog toe zo goed en zo kwaad als maar kon vanuit Beni werd bestuurd. Deze regio had een bewoonde oppervlakte groter dan Oost-Vlaanderen, de rest was het Nationaal park. Er leefden vijftigduizend zwarten en een vijftigtal blanke planters.

Afb.7. Eerste bladzijde van het “Procès-verbal de remise-reprise du poste détaché de Mbau”, 15 juni 1959.

Op 31 juli 1957 werd ik aangesteld tot plaatsvervangend rechter bij de Politierechtbank  van het gewest Beni , en ik had, indien ik me goed herinner, een vijftigtal zaken per jaar te behandelen. W aar in mijn regio ik me ook bevond, in principe één vaste namiddag per week zetelde ik als politierechter. Ik cumuleerde hierbij de functie van griffier en van deurwaarder.

Mbau is een onooglijk plekje zo goed als op de evenaar en ongeveer 1050 meter boven de zeespiegel, ten noordwesten palend aan het woud van Itu ri en op een twintigtal kilometer oostwaarts aan het Nationaal Albertpark. Het was het trefpunt van nagenoeg twaalfhonderd pygmeeën, horigen van de mwami der Batangi. Ter zijde, tot 1930 verdedigden deze pygmeeën hun territorium, het Ituri-woud, tegen al wie, zwart of blank, er binnen wilde dringen.

Afb.8. Pygmee en pygmeeënhut.

In dat onbeduidend plekje Mbau woonden tijdens de jaren 1957-1959 drie blanke gezinnen : een missionaris, een landbouwkundige en ikzelf. Daar werd op 8 mei 1958 mijn huwelijk ingezegend (Afb.9). Mijn toekomstige vrouw was twee dagen voordien per DC.3-vliegtuig uit Kisangani in Bunia aangekomen waar ik haar gaan afhalen ben. Omdat de kerk, eigenlijk een zeer grote hut, te klein werd geacht, had de plechtigheid plaats in open lucht; de " baraza " (=het terras) van de woning van de pater bood ruimte voor een geïmproviseerd altaar. Wij kregen van de zwarten van Mbau een paar waardevolle geschenkjes aangebo den, waardevol ook of vooral in de figuurlijke betekenis van het woord: benevens veldbloemen en een geciseleerd olifantentandje, een houten schotel met ivoor bewerkt (van ambachtelijke makelij) die gevuld was met veldvruchten en eieren, symboliek voor de erkenning als gezagdrager. Nog in verband met mijn huwelijk is het feit vermeldenswaard dat ik vooraf aan de minister van Koloniën to e stemming heb moeten vragen om te mogen huwen; een van de bijlagen aan dit verzoe k was een document waarin ik verklaarde mijn huwelijke staat niet te zullen laten gelden om me te onttrekken aan verplaatsingen in de brousse… Ja, het werk ging echt vόόr alles!

Afb.9. Huwelijksinzegening respectievelijk sympathiemanifestatie door de schoolkinderen.

Een werkdag in Mbau begon, net als in Beni, om 6 uur of om 6.30 uur met de groet aan de Belgische vlag die bij klaroengeschal gehesen werd door de brigadier van politie. In Mbau werd die plechtigheid bijgewoond door Baumbilia, de mwami der Batangi, door de griffier van de gewoonterechtelijke rechtbank van Mbau, de administratieve medewerkers, mijn planton Mitemungu, het politiekorps, de capita (ploegbaas) van de metselaars of beter van diegenen die metselwerk verrichtten, de capita van de plankenzagers, enz. en ikzelf, vanzelfsprekend in uniform. Van 8 uur tot 8.30 uur ontbijt. Dan van 8.30 uur controle van in uitvoering zijnde werken, bij voorbeeld de bouw van de lagere school (basisschool) of het opstarten van een nieuw project, en kantoorwerk met om 11 uur " rapport ". Het " rapport " was het moment waarop elke zwarte, elke "kleine man", bij de " bwana of de heer” terecht kon voor om het even wat. Luisteren was dan de grootste deugd. Deze luisterbereidheid dikte wel het werkvolume aan vermits een groeiend vertrouwen een groter aantal "cliënten" meebracht. Maar precies dàt was een van de voornaamste opdrachten van de territorial in de “brousse”, namelijk derwijze op te treden en te handelen dat de zwarten zegden: " anasikia Swahili, kabisa! " (die man verstaat waarlijk Swahili = die man begrijpt ons perfect), en aldus de schakel te zijn tussen de eenvoudige bantoemens en het Gezag of zoals zij het zegden hun woordvoerder te zijn bij " Mufalme Baudouin " (Koning Boudewijn) die in hun naïeve ogen almachtig was. Veelal ging het om eenvoudige problemen die dadelijk geregeld konden worden. Dikwijls ging het echter om sociale geschillen waar blanke kolonisten mee gemoeid waren en waarover verder onderzoek of waarvoor een al dan niet krachtdadig optreden van mijnentwege nodig was. Soms ging het om een zaak die naar de politierechtbank of naar de gewoonterechtelijke inlandse rechtbank of desgevallend, na politierechtelijk onderzoek, naar het parket moest.
Om 16.30 uur streek de brigadier van politie de Belgische vlag, zonder enige plechtigheid. De dagtaak was officieel ten einde. Om 18.30 uur wordt de petroleumlamp aangestoken want vόόr men het beseft is de duisternis gevallen.
 


Afb.10. Mijn woning (landhuisje) in Mbau.

Zoals elders al gemeld was een territorial die verantwoordelijk was voor een regio, verplichtend drie weken per maand onder weg in zijn gebied. De verplaatsing naar de bestemming werd onder meer benut om de staat van het wegennet te inspecteren. Voor het onderhoud van de ca. 120 km aarden wegen had ik, geassisteerd door twee ploegbazen, verschillende ploegen wegenarbeiders in dienst, in totaal 75 man die allen betaald werden als arbeidskracht. De berijdbare binnenwegen ( pistes cyclables ), waar trouwens bijzonder weinig, ja alleen sporadisch, autoverkeer was, dienden door de dorpelingen open en berijdbaar gehouden te worden. Het waren opgelegde karweien waarvoor zij niet werden vergoed; ze kregen echter wel houwelen, schoppen en kruiwagens ter beschikking, welke dan aan de dorpsgemeenschap werden gelaten ook voor eigen gebruik. Noteer ook hier de gelijkenis met het ancien régime bij ons; ook toen dienden onze voorouders, zonder ervoor te worden vergoed, in te staan voor het onderhoud van de dorpswegen.

In de periode 1957-1959 kon ik beschikken over kredieten voor het bouwen van een lagere school, volgens plan drie gebouwen van elk twee klassen evenals zes kleine bungalows voor de monitoren (1957), voor een voetbalveld met kleine tribune plus kleedkamer en vergaderzaaltje (1958) en ten slotte en als laatste in de rij voor een dispensarium (1959). Tijdens mijn periode in Belgisch Kongo kregen wij inderdaad ruime kredieten aangeboden. Men was niet verplicht erop in te pikken; er was met andere woorden, ook op dit vlak, ruimte voor initiatief. Ze wel nemen betekende enorm meerwerk, risico's en beslommeringen, maar ook de mogelijkheid zich te laten opmerken door zijn oversten en last but not least de zekerheid veel waardering te krijgen vanwege de zwarte bevolking. Ik speelde er dus maximaal op in. De realisatie van dit soort projecten was niet zomaar een fait divers . Cement diende te worden aangevoerd uit Butembo, op zowat 100 kilometer daar vandaan. Bakstenen maakten we zelf: ze werden met de hand in een houten vorm "geperst" en, na droging, gebakken in een met hout gestookte zogeheten veldoven. Wat een belevenis! Al deze gebouwen werden gemetseld door ongeschoolden, alleen de capita of ploegbaas was echt metselaar. Het uitmeten van de funderingen moest ik zelf doen want geen enkele zwarte aldaar bleek in staat funderingen haaks uit te meten. Merkwaardig toch! De dagtaken dienden visueel te worden voorbereid. Zo werden vóór mijn drie weken afwezigheid in de brousse achttien hopen bakstenen klaargelegd: één hoop was te verwerken per dag! Meer dan eens is het echter gebeurd dat een deel van het verrichte werk moest worden afgebroken en overgedaan omdat het metselwerk niet loodrecht of niet haaks stond... Wat het voetbalveld betreft, dit werd helemaal door handenarbeid -met houweel, schop en kruiwagen- verwezenlijkt want machines waren uren in het rond niet beschikbaar.

De controle van de elf inlandse gewoonterechtelijke rechtbanken nam redelijk veel tijd in beslag. De zwarte rechters ondergingen deze controle met een zekere weerzin want ze hadden niet graag pottenkijkers die bovendien hun gewoonterecht kwamen doorkruisen. Ik was me hiervan bewust en ik was uitermate waakzaam om toch niet betweterig te doen en om geen flaters te begaan. Daarom nam ik alle vonnissen door met de griffier en sommige ook met de voorzitter van de betrokken rechtbank. Deze voorzitter was ofwel het opperhoofd van de hoofdij respectievelijk onderhoofdij of van de “sector” (een sector was een conglomeraat van enkele hoofdijen. Een hoofdij ( chefferie ) was een gewoonterechtelijke bestuurlijke entiteit), ofwel een hoogstaand gewoonterechtelijk personage. De vonnissen waren vanzelfsprekend genotuleerd in het Kingwana. Mijn taak bestond erin toe te zien dat de principes van de Belgische wetgeving niet met de voeten werden getreden, en ook me te vergewissen of (en er desgevallend voor te zorgen dat) de vonnissen werkelijk uitgevoerd werden. Geschillen onder de zwarten werden meestal geregeld door middel van vergoedingen die altijd uitbetaald werden in een aantal geiten ( mbuzi ). Ter zijde, ook een bruidschat werd verzilverd in een aantal geiten; geiten vormden het meest gangbare ruil- of betaalmiddel. Ik herinner me een zaak van overspel die door een van deze rechtbanken op een merkwaardige wijze werd benaderd en afgehandeld. De hoorndrager kreeg een aantal geiten toegewezen, te betalen door zijn hoornzetter, niet omwille van het overspel (toen nochtans een strafbaar feit!) maar omdat het echtelijk bed het begeven had onder de onstuimigheid (sic) van de overspelige minnaars...

Beslist vermeldenswaard zijn de " conseils " op alle bezochte plaatsen. Een " conseil " was een hoorzitting, een in het openbaar georganiseerde informatievergadering waar elk punt van algemeen belang behandeld werd en ook bespreekbaar was. Deze vergaderingen werden terecht van wezenlijk belang geacht en bij elke gelegenheid dienden ze te worden gehouden teneinde het contact met de zwarte bevolking levendig te houden; ze hadden plaats onder de baraza , onder een boom of ergens in de schaduw. Zij trokken steeds veel volk want zwarten houden van palavers. Er waren ook veel vrouwen aanwezig al dan niet met kleine kinderen. Toen een of andere peuter begon te huilen, wat vaak gebeurde, hoorde ik telkens weer mijn planton, die achter mij stond, met luide stem de moeder bevelend toeroepen " leta maziwa ku mutoto !" (geef die kleine melk!); de vrouw haalde dan de linker of de rechterborst (van alle denkbare maten en modellen) te voorschijn en de kleine begon zich te laven zodat de storende decibels meteen uit de lucht verdwenen... en de discussie gewoon verder werd gezet.

De organisatie van het werk eiste dat de laatste week van de maand in Mbau werd doorgebracht. De rest van de maand waren wij inderdaad onderweg. Bij de verplaatsingen waren wij vergezeld door onze boy of huisknecht, mijn planton en onze hond. Steeds namen wij het nodige keukengerei en bestek (" malle cantine ") en meestal ook een veldbed (“ malle lit ”) mede; verder de petroleumlamp voor de verlichting, een vouwtafeltje en dito stoelen, schoon linnen en bedgoed, waterfilter voor drinkbaar water (flessenwater was niet beschikbaar) bier en levensmiddelen zoals aardappelen, bloem voor het bakken van brood, boter, melk, enz. Vanzelfsprekend was er ook een “ malle bureau ”, de koffer met de administratieve bescheiden, de schrijfmachine, enz.. Kortom het was een hele verhuis…
Een volle week per maand werd uitgetrokken voor de streek Bingo (Kinombe) waar een dertigtal kolonisten een plantage hadden (meestal robusta-koffie en papaya), en voor Lubena waar, midden in het oerwoud, goudmijnen werden geëxploiteerd; de blanke chef de chantier woonde er als enige Europeaan in totale afzondering, en om te weten wat het begrip "comfort" inhield diende hij zijn herinneringen aan te spreken en een beroep te doen op zijn geheugen... Dit gezin woonde letterlijk middenin het Afrikaanse oerwoud..., en men ging er heen over een smalle aardeweg die trouwens dààr doodliep: van isolement gesproken! Het was in Bingo dat pygmeeën op een ochtend in het jaar 1958 het kreng van een volwassen luipaard brachten. Dit was de opluchtende ontknoping van een angstaanjagend vermoeden voor een heropleving van de activiteit van de " Aniotà " of luipaardmensen (“ hommes-léopard ”). Dit waren zwarten uit de streek die zich onherkenbaar maakten door zich door middel van een cagoule enigszins te vermommen als een luipaard; zij staken metalen klauwen over de vingers waarmede ze hun vijanden konden treffen. Een variante op geklauwde vingers was een met klauwen voorziene viertand waarmede dan de keel of de borst werd opengereten. Er liepen inderdaad geruchten, om niet te spreken van een psychose, over misdrijven gepleegd in de streek Mbau-Oicha waar geiten waren gedood op de wijze van de Aniotà . Het doden van geiten op die manier werd gezien als een voorbode voor mogelijk meer onheil waarbij men steeds zwakkeren, vrouwen of kinderen, vermoordde. In de dertiger jaren waren de Aniotà zeer actief geweest in de streek en het heeft toen veel moeite gekost om deze vorm van criminaliteit te stoppen; begrijpelijk dus dat mijn baas zich zorgen maakte. De zwarten verzekerden me dat er geen sprake was van een heropleving van de Aniotà maar dat een echte luipaard de boosdoener was en deze zou door pygmeeën opgemerkt geweest zijn in de omgeving Bingo/Kinombe. Dus terstond naar Bingo samen met mwami Baumbilia die zijn pygmeeën opdracht gegeven had het dier op te sporen en te doden. Sindsdien werd met geen woord meer gerept over de Aniotà , en werden geen geiten meer gedood op verdachte wijze... Begrijpe echter wie kan, want een luipaard doodt niet om te doden maar om zich te voeden…
De overblijvende week werd deels gebruikt voor administratief werk, voor een of andere vergadering in Beni en voor kortere verblijven op minder belangrijke plaatsen. Zo ging het bijvoorbeeld één tot tweemaal per jaar naar Kanyama, een afgezonderd godvergeten plekje ergens op de grens met het gewest Irumu, waar echter regelmatig twisten ontstonden in verband met grensgeschillen. Om dit dorpje te bereiken vertrokken wij " kuku ya kwanza ", dit is bij het eerste hanengekraai, en te voet even voorbij Eringete. Wij trokken urenlang doorheen het oerwoud en staken de Apya, een bijrivier van de Semliki, over met een voor het bospad gemeerde prauw. Wij bereikten het dorpje omstreeks zeventien uur en werden er opgewacht door het dorpshoofd want via de tam-tam , de Kongolese “gsm” van toen, was hij op de hoogte gebracht van mijn bezoek. Ja, dit was niet de "Kongo van Leopoldstad", maar de "echte" Kongo, het authentieke Afrika van Stanley en Livingstone... Dragers sjouwden de metalen koffers met bagage (" malle bureau, malle cantine, malle lit "). De meest stoere bonken onder hen droegen een met stokken gemaakte draagstoel: de beruchte " typoy ". Ik hield er hoegenaamd niet van, in de eerste plaats omdat die alles behalve gemakkelijk zit en ook omdat ik toch een jonge man was die bovendien graag marcheerde, maar mijn planton Mitemungu (Mite betekent boom, Mungu God. Mitemungu staat voor een boom van God, e en reus van een vent) drong erop aan dat ik er toch af en toe plaats zou in nemen, het prestige ter wille. Tijdens de mars zongen de dragers geïmproviseerde liederen waarin de " bwana " een hoofdrol toebedeeld was; wie hun dialect begreep kon dus een en ander vernemen over zichzelf wat zeer leerzaam was want hi erbij gold de ongeschreven wet dat de " bwana " ze alle dichterlijke vrijheden gunde...In Kanyama stond de gîte d'étape

Afb.11. Typisch dorpje in de regio Mbau.

middenin het dorpje. Het was een lemen hutje met, zoals alle andere hutten (Afb.11), een dak in matete, een strodak dus; er was één enkele (onbemeubelde) kamer van hooguit twee en een halve meter in z'n vierkant, met een venster- en deuropening waar 's avonds een strooien schutsel voor werd gezet ter... bescherming. Ik mag er niet aan denken maar men had me zonder enige moeite de keel kunnen oversnijden tijdens mijn slaap... Bovendien had men gemakkelijk mijn verdwijning toe kunnen schrijven aan de risico's van het oerwoud (krokodillen in de Apya-rivier of andere wilde dieren, enz.)… Het is duidelijk dat mijn vrouw me niet vergezelde naar deze plek.

Begin 1959 (misschien eind 1958: ik herinner het me niet zo goed meer) hadden voor het eerst in de geschiedenis “ gemeente verkiezingen " (Gemeenteverkiezingen staat cursief gedrukt omdat daar eigenlijk geen "gemeenten" bestonden, mar wel gewoonterechtelijke hoofdijen ( chefferies) plaats . In talloze conseils of hoorzittingen gaf ik er uitleg over in alle denkbare geuren en kleuren en in mijn meest creatieve Kingwana. Maar dergelijke bedoening was voor de zwarten aldaar totaal onbegrijpelijk en trouwens ook onaanvaardbaar in die zin dat nooit ofte nimmer een musenji (= een gewone man), alleen omdat hij de voorkeur kreeg van zijn gelijken, een gewoonterechtelijk notabel opzij kon zetten... Na weken herkauwen van alles en nog wat over die verkiezingen, kwamen de zwarten me vertellen dat ze het beet hadden: " élection ni kama tombolà !", klonk het (verkiezingen waren dus te vergelijken met een tombola!). Maar toen ik liet blijken dat ik die interpretatie niet vijandig gezind was (omdat ik er een stap in de goede richting in zag), kwam een andere palaver ter tafel: waarom kon bij die tombola niet iedereen winnen, de ene weliswaar wat meer dan de andere, maar toch allemaal werkelijk als een winnaar uit de bus te komen?...


In het gewest Goma

In januari 1960 keerde ik, na een verlof in België, vol vertrouwen naar Kongo terug. Gedurende deze vakantie was mijn baas M. van de Weghe, gewestbeheerder van Beni, overgeplaatst naar Goma en hij had bedongen dat twee van zijn medewerkers (onder wie ikzelf) ook naar Goma werden gemuteerd.
Goma, aanleunend tegen het Ruandese Gisenyi staat in de geschiedenis van Kongo-Vrijstaat (1885-1908) bekend als een verdedigingspost, waar zelfs artilleriegeschut opgesteld stond tegen de Duitsers die vanuit hun territorium Rwanda aanspraak maakten op het grensgebied. Na de tweede wereldoorlog werd Goma de hoofdplaats van een nieuw district: Noord-Kivu. Gewoon verrukkelijk dat Goma-Gisenyi van toen! Een mini-Azurenkust maar dan zonder het mondaine en kunstmatige gedoe en in een nog echt ongerepte en wilde natuu r: dorre pikzwarte lavavelden, hoge met groen bedekte vulkaanbergen, heuvels vol bananenbomen, een weelderige plantengroei en overal bloemen, bloemen en bloeiende heesters in het wild langs de weg en langs de velden of gekweekt in de tuinen. Goma wordt ten noord-westen als het ware betutteld door de Virungaber gen, woongebied van de gorilla's, en onder meer door de gelijknamige vulkaanketen waarvan de acht voorn aamste vuurbergen van ver opvallend zichtbaar zijn; daaronder de beruchte nagenoeg 3500 meter-hoge Nyiragongo die regelmatig nog vuur spuwt en omstreeks het jaar 2001 nog in werking is geweest met dramatische gevolgen voor het stadje Goma.

Afb.12. Kaart der vulkanen rond Goma.

In 1960 telde de blanke nederzetting van Goma een duizend, terwijl het " Centre Extracoutumier de Goma " (Buitengewoonterechtelijk Centrum) of de zwarte stad, ruim 25.000 inwoners herbergde. Het blanke stadsdeel was voornamelijk één grote residentiële wijk met riante villa's en bungalows midden van ruime grasperken die omzoomd waren door bloeiende kleurrijke heesters. Het waren meestal recente villa's en bungalows van Europese conceptie en ze hadden niets gemeen met de landhuizen in Beni. Er was aan de rand met het zwarte stadsdeel een (voor Afrikaanse maatstaven van toen) groot hospitaal dat ook voor zwarten toegankelijk was maar, indien ik het goed voor heb, was er wel een aparte bed denafdeling voor blanke patiënten. Er was ook een lagere school voor blanken. Goma was een vrij belan grijke plaats met een kantoor van een paar grote maatschappijen zoals de Compagnie minière des Grands Lacs . Er waren twee of drie banken en er was één winkelstraat namelijk een twee- tot driehonderd meter la nge asfaltlaan, verdeeld in twee eenrichtingsbanen waar allerhande mooie handelszaken ingeplant waren. Even buiten de stad, in de richting Bukavu bevond zich de kazerne ( camp militaire ) waar een compagnie gendarmes lag (eigenlijk soldaten van de Force Publique ), evenals de centrale gevangenis van Noord-Kivu. Het vliegveldje met één startbaan in asfalt en geschikt voor DC4-vliegtuigen was aangelegd langs de weg naar Rutshuru. Verderop richting Rutshuru, in Rumangabo, bevond zich een opleidingskamp van de Force Publique .
In Goma beschikte men over alle comfort, d.w.z. elektriciteit, flessengas, stromend water, en telefoon voor lokale contacten.

Afb.13. “Les euphorbes”, mijn bungalow in Goma.


In Goma kreeg ik de verantwoordelijkheid over het "Centre de Goma" of de Zwarte stad waar ik dus mijn kantoor had. Daar woonden geen blanken maar een mengeling van zwarten die voor het grootste deel wel uit de provincie Kivu afkomstig waren. De Zwarte stad bestond voor het grootste deel uit lemen hutten. Maar toc h waren er ook al een paar honderd kleine volledig afgewerkte riante bungalowtjes, gebouwd uit “asseblokken” die dan overschilderd werden. Er waren verschillende lagere scholen. De middelbare school voor zwarten, indien ik me niet vergis was het een technische school, bevond zich aan de rand van het zwarte stadsdeel niet ver van het hospitaal.

Wat hield mijn job in als verantwoordelijke voor dit, volgens de toen en daar vigerende maatstaven, toch middelgroot stedelijk centrum? Feitelijk zou men het geheel van mijn activiteiten kunnen vergelijken met sommige taken die in België behoren tot de verantwoordelijkheid van een burgemeester, een schepen van openbare werken en een stadsconducteur, een schepen voor huisvesting en sociale aangelegenheden (pensioenen), een gemeentesecretaris, een politierechter, een lid van de economische inspectie, een gemeenteontvanger, enz... Het was dus een mengeling van uiteenlopende verantwoordelijkheden.

Op 28 maart 1960 werd ik aangesteld tot plaatsvervangend rechter in de Politierechtbank van het gewest Goma (Afb.14), en ik had wekelijks ten minste één zitdag als rechter in deze kamer



Afb.14. Besluit nr.111 van 28 maart 1960: aanstelling tot plaatsvervangend politierechter.

van de politierechtbank. Een andere voorname activiteit was de verwezenlijking van de doelstellingen van het " Fonds du Roi ", een speciaal fonds dat onder bepaalde voorwaarden een belangrijke financiële ondersteuning (tot 25% van de kostprijs) verleende voor de verwerving van een nieuwe woning in duurzame materialen. De voordelen van het zeer succesvolle Fonds du Roi waren uitsluitend voor de zwarten bestemd. Ook de materiële realisatie van het woningprogramma lag binnen mijn bevoegdheid maar hiervoor schakelde ik privé-aannemers in. Een derde belangrijke opdracht was vanzelfsprekend het regelmatig contact met de zwarte bevolking , evenals de administratie van de stad waarvoor ik een staf zwarte medewerkers ter beschikking had net als in België een gemeentesecretaris/gemeenteontvanger bij voorbeeld. Het zal wel voor eenieder duidelijk zijn dat de bundeling van al die gezags- en bestuursverantwoordelijkheden de baas van het "Centre" tot een niet onbelangrijk personage maakte die het voor het zeggen had in "zijn stad".

De sfeer was er vrij woelig. Op 27 januari 1960 had Brussel totaal onverwacht de onafhankelijkheid toegezegd -velen zegden en zeggen "te grabbel gegooid"- binnen een periode van... vijf maanden (jawel, vijf maanden!), zonder de minste visie en zonder enige strategie terzake. Om precies te weten wat er in "mijn stad" zoal omging woonde ik persoonlijk alle openbare politieke meetings bij. Vóór elke politieke meeting ontving ik de tenoren in mijn bureau en drukte hen op het hart dat de vrije meningsuiting die sinds kort gegarandeerd was geen alibi mocht zijn voor aanzetting tot geweld waarvan dan uitsluitend zoniet vooral onschuldige mensen het slachtoffer zijn. Alleman was het roerend eens met deze wijze van zien, maar de werkelijkheid klonk toch anders... De meetings werden steeds in open lucht gehouden. Als vanzelfsprekend stond ik daar als blanke helemaal alleen tussen de menigte zwarten van wie de meesten me gelukkig wel kenden. Het waren vooral de aanhangers van Lumumba en Kashamura die de mensen opzweepten, en tijdens hun meetings ging het in de stijl van:
- Spreker: Van wie is de koffie?
- Gejoel van de menigte: " Ya wazungu " (Van de blanken)!
- Spreker: Van wie zijn de koffieplanten?
- Menigte: Van de blanken!
- Spreker: Van wie zijn de villa's?
- Menigte: Van de blanken!
- Spreker: En de bakstenen?...
- Menigte: ...de blanken!
- Spreker (met vibrato in de stem): Maaaaar, op wier grond staat dat allemaal?
- Menigte in een soort delirium: Op de onze, de onze, de onze!!!!
- Spreker (na enkele ogenblikken pauzeren): Welnu, laten we ieder het zijne geven. Dat de blanken hun koffieplanten en hun bakstenen in hun vliegtuigen laden en naar Europa overbrengen! Wij stellen ons tevreden met wat van ons is, met onze grond!
Ik voel nu nog dit delirium door mijn vel rillen. Dergelijk in climax-gaande vragenspel bracht de menigte in een soort trance. Maar zoals alles zowel een positieve als een negatieve kant heeft, kan hier als positief worden beschouwd het feit dat de zwarten een grotere zelfzekerheid kregen en de nodige moed om open en vrank uit te komen voor de onafhankelijkheidsgedachte: onze boy zong tot vervelens toe in de keuken, elders in het huis of in de tuin: " Uhuru, cha cha cha, Uhuru, cha cha cha,... ". Uhuru betekent onafhankelijkheid . Het negatieve was het feit dat zij door het overmoedig optreden en de oververacting van de volkstribunen dachten dat zij na de onafhankelijkheid precies zouden zijn als de blanken, want zelfs dàt werd ze voorgespiegeld door demagogische politici en precies dàt gold voor hen als de invulling van hun hoogste betrachting.

De onafhankelijkheid, of correcter gezegd de verkiezingen en de ordehandhaving werden in ijltempo zo goed en zo kwaad als maar kon voorbereid en dan georganiseerd. Meer bepaald wat de ordehandhaving betreft, werd ik vanzelfsprekend aangewezen als verantwoordelijke voor de zwarte stad waar ik een hotelletje inhuurde voor een periode van twee weken, een week vóór en een week na de Onafhankelijkheidsdag. Wij verbleven er allen samen: een peloton (ca. 50 man) zwarte gendarmes met een blanke onderluitenant die kersvers uit België was overgewaaid en die geen woord Swahili noch Lingala (de legertaal) begreep, laat staan kon spreken, en ikzelf. Die Onafhankelijkheidsdag verliep op een onvergetelijke manier in een smetloze feestroes, waarbij de legerofficier en ikzelf op aangename wijze en spontaan werden betrokken. En toen ik een toast uitbracht op de toekomst van Kongo zongen wij allen samen in koor " Uhuru, cha, cha, cha! "... Na de onafhankelijkheidsdagen had ik enkele dagen vrij, maar op 8 juli werd me gevraagd om samen met een collega geheime militaire orders naar Rutshuru te brengen. Terug in Goma, terwijl ik een bad nam omstreeks 20.40 uur: klaroengeschal " rassemblement " gevolgd door sirene-geloei van een politiewagen. Dit was ongewoon! Een opstootje? Alvorens het politiecommissariaat te bereiken vernam ik dat het politiekorps en de gendarmerie aan het muiten waren geslagen. Vlug werd duidelijk dat deze muiterij geen alleenstaand geval was, maar dat er wel degelijk een algemene beweging was georchestreerd. De gewestbeheerder M. van de Weghe, en de bevelhebber van de gendarmerie, kapitein-commandant R. Strumelle en zijn medeofficieren evenals de politiecommissaris en zijn adjunct stonden onder arrest. Ik voegde me bij de andere collega's in het " centre commercial " dichtbij het politiecommissariaat dat zich aan een rotonde bevond. Ik was gewapend met een mitraillette "Vigneron". Omstreeks 21.15 uur klonken geweerschoten uit de richting Gisenyi gevolgd door geratel van machinegeweren; achteraf is gebleken dat het om een schermutseling ging tussen Kongolese soldaten en Belgische commando's (Ardense Jagers) die aan de grens patrouilleerden. Een paar minuten nadien, in de omgeving van het politiecommissariaat: een geweerschot door een zenuwachtige Kongolese gendarm. Op dat moment bevonden zich in het centre commercial onder meer de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Goma (R. Fontaine) die in dit geval van "noodtoestand" de uiteindelijke decision maker was, mijn grote baas districtcommissaris Leon Caprasse en enkele territorialen van lagere rang onder wie ikzelf. Er werd een beroep gedaan op de Belgische commando's die in het naburige Rwanda gelegerd waren. Omstreeks 22 uur kwamen drie jeeps aangereden met commando's, de zware machinegeweren in aanslag. Zodra die in zicht waren, verliet één jeep het politiecommissariaat en reed de commando's langs één rijbaan tegemoet. In deze jeep bevond zich naast de zwarte bestuurder, kapitein-commandant Strumelle een bajonet in de rug door de twee achteraan zittende soldaten. Hij beval de onderluitenant van de Belgische commando's rechtsomkeert te maken, wat prompt gebeurde want een kapitein-commandant is hoger in rang dan een onderluitenant. Deze uitval van de Ardense jagers heeft een officieel diplomatiek incident tot gevolg gehad tussen de jonge republiek Kongo en het koninkrijk België. Een kwart uur later kregen wij het bevel de wapens neer te leggen en zo vlug mogelijk weg te komen. Onmiddellijk daarop begonnen enkele groepjes muitende soldaten geparkeerde wagens te doorzoeken, maar zij sloegen niet aan het plunderen; ze waren trouwens nog steeds normaal betaald (net als vóór de onafhankelijkheid) en hadden er dus geen behoefte aan. Omstreeks één uur in de ochtend reed een zekere heer Kleyn door het handelscentrum; ik verliet de schuilplaats waar ik me bevond, nam plaats in zijn wagen, en samen bereikten wij Gisenyi waar mijn vrouw en de vrouw van de gewestbeheerder met haar vijf kleine kinderen eerder al aangekomen waren. De volgende dag werd beslist vrouwen en kinderen naar Oeganda te brengen zodra de gewestbeheerder vrij zou komen. Op 12 juli arriveerden wij in Kampala waar wij door de Britten werden opgevorderd voor het opstarten en organiseren van een transitkamp voor vluchtelingen . Op 18 juli werden wij er afgelost en 's anderendaags waren wij terug in Gisenyi waar we op instructies wachtten. Op 22 juli deed assistent-districtcommissaris Cauwe lezing van een boodschap van de gouverneur van Kivu die verwees naar het protocol van 12 juli 1960 ondertekend door minister De Schrijver; deze boodschap begint met de woorden: " Tous les agents de l'administration, de la Force Publique, de la Magistrature, des parastataux, de l'enseignement agréé et de l'enseignement public, etc.... seront considérés comme se trouvant dans l'impossibilité de poursuivre leur carrière en Afrique. Ils peuvent bénéficier de la loi du 21 mars 1960. En conséquence tous les agents qui le désirent ont l'autorisation d'abandonner leur service et se mettre immédiatement en route, de préférence via l'Uganda ou le Ruanda-Urundi ". Het is dus een flagrante onwaarheid zonder enige nuance te beweren of te insinueren dat wij zomaar het hazenpad zouden hebben gekozen, alleszins wat het gewest Goma betreft. Wel is het zo dat wij ons in de rug geschoten voelden door Brussel, dat wij ervan overtuigd waren dat België Kongo gewoon had laten vallen, dat wij alle, maar dan ook elk greintje vertrouwen verloren hadden en dat wij uitermate, ja onbeschrijfelijk bitter gestemd waren: dààrom, en vermits wij bovendien toch beschouwd werden in de onmogelijkheid te verkeren ons werk verder te zetten en daarbovenop de wettelijke garantie hadden om met behoud van rang, opgenomen te worden in de moederlandse administratie (wat nadien boerenbedrog is geble ken!) besloten wij allen weg te gaan. De aftocht ging over Kabale en Mbarara naar Kampala, de hoofdstad van Oeganda. Na enkele dagen verblijf in het transitkamp dat wijzelf een tijdje voordien hadden opgestart, kregen wij een plaats in een DC4-vliegtuig dat ons van Entebbe naar Melsbroek bracht na een tussenlanding en overnachting in Karthoem en Athene. Ik was terug in België op 3 augustus. En zonder dat ik er me rekenschap van gaf was meteen een bladzijde in geschiedenis gekeerd… Het einde van een tijdperk was inderdaad bezegeld . Kongo is iets meer dan een halve eeuw, van 1908 tot 1960, een Belgische kolonie geweest.
                                                                                          
                                                                                                               

Afb.15. Koloniaal gedenkteken in Geraardsbergen, in de volksmond “de Olifant” genoemd.

Geraardsbergen, juni 2001
 

Marc Van Trimpont